Doa Shaikhani: “Leer verschillen accepteren”
admin | jul 25, 2012 | Reacties 3
Doa Shaikhani (23) werd geboren in Basra, een stad in het zuiden van Irak. Vijftien jaar geleden vluchtte ze met haar familie naar Nederland. Ze is (bijna) vierdejaars studente geneeskunde aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam en bestuurslid bij de multiculturele studentenvereniging Avicenna. Ze woont met haar twee jongere broers bij haar ouders. We spraken met Doa tijdens een drukke tentamenperiode voor de zomervakantie.
Door: Najla Aazzouzi en Ceylan Weber
Kun je je nog iets herinneren van hoe het was toen je in Irak leefde en van jullie vertrek?
“Irak was een mooi land. Ik speelde vaak buiten. En we hadden veel contact met familie. Ik was heel erg gehecht aan mijn oma, die helaas een paar jaar geleden overleden is. Vooral daarom vond ik het niet leuk om weg te gaan. Ik was zes toen we uit Irak vluchtten, en zeven toen we in Nederland aankwamen. Als kind besef je niet dat je vlucht voor een oorlog. Ik herinner het me eigenlijk vooral als een spannende tijd en ervaring: het reizen, naar een ander land gaan en andere mensen ontmoeten. Ik miste mijn oma wel erg, maar als kind pas je jezelf snel aan. Mijn leven in Irak had ik afgesloten.
Sinds twee jaar kan ik nu soms op familiebezoek in Irak. De eerste keer was dat een enorme shock. Ik was sprakeloos toen ik merkte hoe groot mijn familie was geworden. Ik had wel contact met ooms en tantes, maar er zijn zoveel neefjes en nichtjes bij gekomen! Ik heb een sterke behoefte om bij familie te zijn, maar Irak is enorm achteruit gegaan. De straten waar ik als kind fijn speelde, zijn nu allemaal door de oorlog toegetakeld. De oorlog is overal zichtbaar en er zijn overal soldaten. Echt geen kindvriendelijke omgeving meer.”
Hoe zag je leven eruit nadat jullie in Nederland kwamen wonen?
“We woonden eerst een korte tijd in een asielzoekerscentrum in Zwolle. Daarna zijn we heel vaak verhuisd en hebben we zo’n beetje alle kanten van Nederland gezien. We woonden in Roosendaal, Arnhem, Groningen, Maastricht en nu in Gorinchem. We moesten zo vaak verhuizen omdat mijn vader, die in Irak al arts was, zijn diploma bijna helemaal opnieuw moest halen hier. In Groningen woonden we zes jaar, daar heb ik het grootste deel van mijn basisschool en twee jaar MAVO gedaan. Ik had een lage score voor mijn CITO-toets; ik denk vanwege de taalachterstand die ik nog had. Want in Maastricht mocht ik vanwege mijn studieresultaten in één keer naar het VWO. En nu studeer ik geneeskunde aan de Erasmus-universiteit in Rotterdam. Als ik het laatste tentamen van dit jaar ook haal, ga ik volgend jaar co-schappen lopen of moet ik een onderzoek verrichten. Ondanks het vele verhuizen had ik een fijne tijd. Dat kwam vooral door de opvoeding die mijn ouders ons gaven. Ik heb me altijd heel beschermd gevoeld.”
Speelde religie een rol toen je opgroeide?
“Mijn ouders gaven ons veel mee van het geloof. Ze leerden ons het gebed en we deden mee aan het vasten in Ramadan. Toen ik ouder werd, ging ik zelf meer lezen en vanaf het moment dat ik geneeskunde ging studeren, kwam ik ook in contact met andere moslims en wisselden we kennis uit. Eigenlijk leerde ik de islam toen pas echt kennen. En dat geldt nog sterker sinds ik me aansloot bij de studentenvereniging Avicenna.”
Je studeert geneeskunde. Speelt je geloof daarbinnen ook een rol?
“Ja, ik wil mijn beroep zoveel mogelijk volgens islamitische richtlijnen uitoefenen maar respecteer de keuzes van beroepsgenoten. Vanuit de islam is bijvoorbeeld abortus volgens mij toegestaan tot 12 weken omdat de foetus daarna een ziel krijgt. Dan gaat ook het hartje kloppen. Als mensen daarna toch abortus willen laten plegen, vind ik vooral de reden belangrijk. Een gehandicapt of ongewenst kind krijgen, vind ik persoonlijk onvoldoende reden. Je kunt het ook laten adopteren. Maar ik verzet me niet tegen het feit dat in Nederland abortus tot 24 weken nog kan plaatsvinden; ik zou het alleen zelf waarschijnlijk niet uitvoeren. Euthanasie is verboden in islam; ik zou het daarom zelf niet doen.”
Kan je dat als arts beslissen?
“Ja, als arts mag je dat zelf beoordelen. Dergelijke onderwerpen worden vaak behandeld tijdens onze opleiding. Veel niet-moslims hebben er ook problemen mee, terwijl andere moslims er juist weer minder problemen mee ervaren. Maar we laten ieder in zijn waarde. Geloof kan helpen bij het maken van bepaalde keuzes, maar bij dit soort beslissingen voeren we geen geloofszaken aan als argument, en hebben we het meer over principiële redenen. Palliatieve zorg leidt uiteindelijk tot een snellere dood, en euthanasie is niet toegestaan in de islam. Voor mij zou dan vooral de reden voor palliatieve zorg van belang zijn. Bij ondraaglijk lijden, heb je soms geen andere keuze. Maar als het om een duidelijke vorm van het niet accepteren van lijden gaat, dan zou ik daar niet snel aan meewerken en op een andere manier proberen hulp te bieden. Als arts hebben we vooral de verantwoordelijkheid om zo goed mogelijk voor de gezondheid van onze patiënten te zorgen, en niet voor bijvoorbeeld ijdele wensen. Dan zouden we commerciële artsen worden. Daarom zou ik cosmetische chirurgie alleen toepassen als er een medische noodzaak voor is, die soms ook mentaal kan zijn.”
Er wordt in Nederland vaak gesproken over ‘dé moslimgemeenschap’. Herken je dat beeld?
“In Rotterdam aan de faculteit op de Erasmus krijg ik sterk het gevoel dat er uiteindelijk maar één islam is. Maar of dat voor de rest van Nederland ook geldt, betwijfel ik. Hier maakt het niet uit van welke afkomst je bent: Afghaans, Turks of Pakistaans, je hoort bij de gemeenschap. Alle moslims op de universiteit kennen elkaar ook. Ik denk dat ik extra geniet van het gevoel om daarbij te horen, omdat ik contacten met andere moslims zo lang gemist heb toen ik opgroeide.”
Ummah, het idee van een wereldwijde moslimgemeenschap, wordt ook vaak als ideaal genoemd door jonge moslims. Is het volgens jou wenselijk dat moslims in Nederland een eenheid vormen of moeten we juist leren leven met verschillen?
“Verschil hoeft niet per se slecht te zijn, zolang het geaccepteerd wordt. Afkomst en het feit of iemand vast of bidt, gaat alleen die persoon aan. Je kunt er wel een mening over hebben en als het gesprek daarover gaat, die mening ook laten horen, maar om te beginnen moeten we elkaar vooral in onze waarde laten. Dat zie ik wel als een belangrijke opdracht voor moslims, om de verschillen meer te leren accepteren. Er wordt trouwens wel vaak aan mij gevraagd of ik een moslim ben en waarom ik dan geen hoofddoek draag, zowel door moslims als door anderen.”
Wat vind je daarvan?
“In Maastricht werd me dat trouwens nooit gevraagd, ik denk omdat daar zo weinig meisjes er één droegen. Het hoort volgens mij wel bij het moslim zijn, maar je kan aan een meisje dat een hoofddoek draagt niet zien of ze een goede moslima is. We zijn allemaal verschillend en vooral het idee dat elke moslim dezelfde keuzes zou moeten maken, vind ik beledigend. Alsof we allemaal één pot nat zijn. In mijn opvoeding is het dragen van een hoofddoek nooit opgelegd. Als ik die wil dragen, dan moet ik daar zelf voor kiezen.”
Hoe kijk je aan tegen de Nederlandse samenleving in relatie tot moslims?
“Ik voel me niet Nederlands, maar wel een Nederlander. Dit is mijn tweede land, ik ben hier niet geboren en mijn ouders zijn Irakees. Nederland kan dus niet mijn eerste land zijn, maar ik voel me zowel Irakees als Nederlander. In Nederland hebben we best veel kansen en we kunnen ons geloof hier vrij belijden. Dat is heel mooi, daar zouden we veel meer dankbaar voor moeten zijn. Ik denk wel dat er nog altijd een taboe heerst rond racisme terwijl het wel bestaat, omdat we graag geloven dat in de Nederlandse democratie iedereen gelijk is. Ik hoor van meisjes die een hoofddoek dragen namelijk dat ze rechtstreekse ervaringen hebben met het negatieve beeld rondom islam en moslims, en herken het ook uit de media.”
Wat zou je vandaag willen zien verdwijnen als het gaat om de positie van moslims in Nederland?
“Het negatieve beeld dat er over moslims bestaat, want we zijn geen slechte mensen. Een positiever beeld is vooral belangrijk omdat moslims zelf zich dan waarschijnlijk ook anders zouden gaan gedragen. Je moet jezelf geaccepteerd voelen om je daar ook naar te gaan gedragen. Veel moslims hebben nu zelf ook een te negatief zelfbeeld. We voelen ons misschien wel veel te snel gediscrimineerd. Die acceptatie moet wel van twee kanten komen. Moslims zouden ook beter moeten accepteren dat de situatie niet ideaal is, en er het beste van maken.”
Hoe kunnen we die verandering bereiken?
“Onder andere door onderwijs, waarbij je ruimte geeft om over de verschillen te praten op een respectvolle manier. Bij Avicenna gebeurt dat bijvoorbeeld door het organiseren van lezingen met een aansluitend debat. We hebben hier een nieuwe moslimcultuur ontwikkeld waarbinnen verschillen vanzelfsprekend aanwezig zijn. Als we ons op onze achtergrond of gedrag blijven beoordelen, zullen we veel idealen van het idee ‘ummah’ verliezen. En veel moslims zullen hun gedrag moeten veranderen om de beeldvorming over islam positief bij te stellen. De criminaliteit onder moslimjongeren moet echt minder worden. Zelfs allochtonen onderling denken vaak negatief over allochtonen. Toen mijn fiets was gestolen, zei iedereen in mijn omgeving dat die wel weer door een allochtoon gestolen zou zijn. Dat bleek later helemaal niet zo te zijn, maar het zegt veel dat er zo gedacht wordt.”
Wat is volgens jou de belangrijkste bijdrage van moslims aan de Nederlandse samenleving?
“Voor ons staan familiewaarden nog altijd op de voorgrond samen met gulheid en gastvrijheid. Het is wel grappig: als ik met moslimvriendinnen uitga, krijgen we altijd ruzie over wie er betaalt, want ieder wil voor de ander betalen. Maar als ik met andere Nederlandse vriendinnen ben, is het vanzelfsprekend is dat ieder voor zichzelf betaalt. Daarnaast werken we net als alle andere Nederlanders en betalen we belasting.”
Wat draag je er zelf aan bij om de beeldvorming te veranderen?
“In mijn eigen omgeving ga ik vaak in gesprek. De niet-moslims met wie ik omga, denken helemaal niet negatief over ons geloof omdat ze vinden dat ik een goed mens ben. En dat wat in de media wordt gepropageerd, niet bij Doa hoort. Mensen hebben veel vragen en die beantwoord ik graag. Vooral tijdens de Ramadan krijg ik veel vragen. Dat vind ik erg leuk, en soms vasten mensen ook een dagje mee.
Laatst was ik in gesprek met een medestudente over het feit dat sommige Marokkaanse mannen, vrouwen geen hand willen geven. Zij wilde hen dan niet behandelen omdat zij dat respectloos vindt. Ik heb haar toen uitgelegd dat het juist uit respect voor haar is, dat zij geen hand geven. Dat wist zij niet. Zij koppelde het aan onderdanigheid van vrouwen. Nu denkt ze daar anders over en zou ze hen wel gewoon behandelen.”
Last but not least: Hoe zie je je eigen toekomst?
“Ik wil trouwen en kinderen krijgen, en arts worden natuurlijk. Eerst wilde ik journalist worden. Maar op het VWO in Maastricht kwamen mensen van Artsen Zonder Grenzen over hun werk vertellen. Dat maakte veel indruk op me en inspireerde me om ook mensen in nood te willen helpen. Daarom heb ik uiteindelijk voor deze studie gekozen. Ik wil me specialiseren in kindergeneeskunde. Ik denk dat ik hier in Nederland een goede toekomst tegemoet kan zien. Ik voel me heel goed thuis hier, en je kunt je kinderen hier goed opvoeden.
Aan de andere kant denk ik dat ik niet altijd in Nederland zal blijven, want ik wil mensen helpen die het echt nodig hebben. Hier zijn er genoeg ervaren artsen en ik ben in andere landen meer nodig dan hier. Misschien een Arabisch land. Dan zou ik mijn ouders wel meenemen. Als toekomstig arts kan ik in principe overal werken.
Ik wil ook graag een organisatie voor gehandicapte mensen oprichten in Irak of een ander onderontwikkeld land. Een patiënt met het Syndroom van Down wordt daar thuis gehouden, maar kan veel meer. In Nederland volgen zij gewoon onderwijs en kunnen ze werken. In Irak is dat onmogelijk. Dus ik zou daar zorgverleners willen onderwijzen en voor medische dienstverlening willen zorgen. Ik werk nu in een verpleegtehuis met gehandicapte mensen. Dus ik ben me al aan het voorbereiden.”
Najla Aazzouzi begint in september met de Masteropleiding Beleid, Communicatie & Organisatie aan de VU. Eerder rondde ze de Bachelor Religie & Levensbeschouwing (VU) af. Ceylan Weber is redactielid van Nieuwemoskee. Dit is het eerste deel van een serie interviews met jonge moslims over hun ideeën over verleden, heden en toekomst.
Geplaatst in: Interview
Reacties (3)
Geef een reactie | Trackback URL
Geef een reactie
Spelregels:Voordat reacties worden geplaatst, worden ze getoetst aan de volgende criteria:
- Wees kritisch: Reageer inhoudelijk en niet op de persoon en onderbouw je reactie zoveel mogelijk met argumenten. Verwijs waar mogelijk naar concrete feiten en/of voorbeelden.
- Wees verfrissend: Geef vooral originele, frisse reacties die een nieuwe of andere kijk op het onderwerp geven. Wees kort (maximaal 400 woorden), krachtig en blijf bij het onderwerp (ontopic).
- Wees genuanceerd: Generaliseer niet waar dat niet past. Vermijd zwart-wit voorstellingen en wij-zij denken. Discriminerende, beledigende en (be)dreigende uitingen zijn niet toegestaan.


Loading...
Beste Najla,
Waar staat in de Koran iets over abortus? Ik heb geprobeerd het te vinden, maar vond het dus niet.
Nu zeg jij, dat het tot de 12e week zou zijn toegestaan,omdat het kind nog geen ziel zou hebben en het hartje nog niet zou kloppen. Als aankomend arts weet je natuurlijk dat het niet waar is en dat het hartje te horen is al met 6 weken (en misschien eerder)Hoe kan ik (en anderen) dat rijmen met de waarheid van de Koran?
Beste Karin,
Klopt, het hart zal rond de 6/7e week daadwerkelijk kloppen. Ik zie dat ik het zo gezegd heb alsof het lijkt dat ik beweer dat het hart vanaf 12 weken pas gaat kloppen en dat het kloppen van het hart samengaat met het ontstaan van de ziel. Dit is echter niet wat ik bedoel. Ik snap de verwarring. Tijdens mijn opleiding is mij nooit geleerd dat het kloppen van het hart samengaat met het ontstaan van de ziel. Alleen Allah weet wat de ziel precies is, wanneer deze ontstaat en waar deze zich bevindt. Ik durf hier dus ook geen uitspraak over te maken. Daarom heb ik ook nadrukkelijk gezegd ‘volgens mij’. Na 12 weken is volgens de islam abortus niet meer toegestaan, dat slaat los van het feit of het hartje nou vanaf 4 weken of 6 weken of 12 weken klopt, als je snapt wat ik bedoel. Dit komt denk ik, doordat er beweerd wordt dat de ziel na de 12e weken ingeblazen wordt. En uit medisch perspectief zijn bij 12 weken alle organen gevormd. Het is dan echt een kleine mini baby met een kloppend hart etc. Waarom ik in het interview nadrukkelijk het ‘kloppen van het hart’ heb benadrukt, is omdat wij mensen het leven associëren met het kloppen van het hart. Vanaf 12 weken worden er geen organen meer gevormd en zal de baby alleen nog maar groeien.
Daarnaast heb ik niet gezegd dat het in de Quran staat, maar dat het vanuit de Islam niet toegestaan is. Islamitische wetten en regels worden naast wat er in de Quran staat ook gebaseerd op hadith van de Profeet (saw) en soms zelfs van Imams.
Ik zal voor je opzoeken of het in de Quran staat en waar het in de Quran staat dat abortus toegestaan is tot 12 weken. Er zijn hier trouwens veel discussies over en er worden veel lezingen over gehouden. Ik zal je persoonlijk uitnodigen als SV Avicenna daar weer een lezing over houdt.
Ik hoop dat ik je zo voldoende antwoord hebt gegeven op je vraag.
WS,
Jazakullah khairun voor je geduld
Beste Doa,
allereerst sorry dat ik een verkeerde naam heb gebruikt.
Bedankt voor je reactie, ik heb inmiddels wel wat gelezen over Islam en abortus, maar over de 12 weken grens heb ik nog niets kunnen vinden. Met de Hadith van profeet Mohammed ben ik eigenlijk helemaal (nog) niet bekend. Ik hoop ooit de Koran en de Islam te begrijpen en zou graag naar een lezing komen. Jammergenoeg woon ik in Istanbul, maar ik kom regelmatig naar NL toe. En hopelijk heb ik dan de kans om naar een lezing te gaan.